Makend onderzoek

Makend onderzoek was een belangrijk onderdeel van mijn project. Ik besloot nieuwe technieken te ontdekken en te onderzoeken hoe beweging, ruimte, licht en materiaal samen een ervaring kunnen vormen. Ik begon zonder vast plan, met een open en nieuwsgierige houding.

Mijn werkwijze was vooral onderzoekend en experimenteel. Ik probeerde verschillende technieken, materialen en visuele middelen uit om te begrijpen hoe ze elkaar beïnvloeden en versterken. Door te observeren, uit te proberen en keuzes te maken, heb ik stap voor stap mijn positie als maker kunnen ontwikkelen.

TOON 1

Tijdens deze fase kreeg ik waardevolle feedback van docenten en medestudenten. Zij stelden vragen over de relatie tussen dans en ruimte, wat mij hielp om mijn ideeën te verdiepen en nieuwe referenties te vinden. Hoewel mijn ideeën nog vrij globaal waren, zorgden deze gesprekken ervoor dat ik mijn onderwerp steeds gerichter kon specificeren. Pas later begon ik na te denken over mogelijke contexten, zoals interieur, podium, festival of theater. Deze open houding gaf mij de ruimte om eerst het onderzoek centraal te stellen, voordat ik keuzes maakte over vorm en locatie.

Voor Toon 1 twijfelde ik sterk tussen verschillende richtingen, maar al snel kwam ik tot de conclusie dat ik iets met dans wilde doen. Hoe dit zich precies zou vertalen en in welke vorm, was in deze fase nog nog onduidelijk. Daarom ben ik gestart vanuit wat ik in het algemeen belangrijk en inspirerend vind, en waar ik mij als ontwerper op wil richten, zonder dit direct vast te leggen in een concrete uitkomst. Dit proces begon met het verzamelen van woorden en inspiratiebeelden, het maken van collages en vormstudies.

Na Toon 1 besloot ik te gaan werken in de blackbox en te experimenteren met licht en materiaal. Deze ruimte sprak mij aan omdat ik hier tijdens mijn opleiding nog niet eerder mee had gewerkt. Tot dat moment lag mijn focus vooral op interieur en digitaal ontwerpen, maar voor dit project wilde ik bewust meer fysiek en onderzoekend werken. De blackbox sloot goed aan bij mijn interesse in scenografie en bood ruimte om beweging, licht en ruimte samen te brengen.

De experimenten in Toon 2 waren vooral gericht op het verkennen van de technische en ruimtelijke mogelijkheden van de blackbox, en nog niet op hoe het werk er uiteindelijk uit zou zien. Dit voelde buiten mijn comfortzone, maar gaf mij juist de vrijheid om te ontdekken wat er mogelijk was. Al snel merkte ik dat deze manier van werken nieuwe ideeën opleverde, waardoor ik besloot de blackbox te blijven gebruiken als zowel onderzoeksplek als mogelijke eindvorm.


TOON 2

Hoewel er werd voorgesteld om in de openbare ruimte te werken, koos ik hier bewust niet voor. Ik wilde de omgeving rondom de dans zelf vormgeven, zonder bestaande associaties. In de blackbox kon ik een flexibel veld creëren waarin licht, materiaal en positionering actief bijdragen aan de emotie van de performance en onderdeel worden van de dans.

Tijdens Toon 2 presenteerde ik voornamelijk stilstaande beelden van mijn experimenten. De feedback dat beweging ontbrak, maakte duidelijk dat filmen noodzakelijk was, omdat beweging de kern van mijn project vormt. Tegelijkertijd merkte ik dat ik dit niet alleen kon doen, wat leidde tot het inzicht dat samenwerking en bewegend beeld in de volgende fase een grotere rol moesten krijgen.


Voor toon 3 werkte ik wekelijks in de blackbox en probeerde ik nieuwe technieken, materialen en ideeën uit. Deze experimenten vormden samen mijn onderzoek naar de relatie tussen licht, materiaal en beweging en hielpen mij mijn ideeën steeds gerichter vorm te geven.

Het sociaal onderzoek, waaronder een enquête, speelde een belangrijke rol binnen mijn ontwerpproces. De inzichten en associaties die hieruit voortkwamen rondom vrouwelijkheid vormden het uitgangspunt voor mijn ontwerpkeuzes. Deze heb ik vertaald naar beslissingen op het gebied van materiaal, kleur en vormgeving, die in het hoofdstuk concept en definitief ontwerp verder worden toegelicht.

Tijdens mijn experimenten onderzocht ik verschillende manieren om spanning en contrast zichtbaar te maken binnen het werk. Hierbij speelde zowel materiaalgebruik als kleur een rol. De uiteenlopende resultaten zorgden ervoor dat sommige werken intiemer en terughoudender aanvoelden, terwijl andere juist opener en krachtiger waren.


TOON 3

Tijdens mijn presentatie ontving ik positieve feedback. Er werd benadrukt dat vooral de experimenten die daadwerkelijk ruimte scheppen, interessant zijn. Het advies was om deze richting verder te ontwikkelen.

Gaandeweg werd voor mij duidelijk dat mijn werk het beste tot zijn recht komt als video performance. Video maakt het mogelijk om verschillende opstellingen, scènes en meerdere dansers samen te brengen, waardoor ik mijn ideeën volledig kan overdragen. Hiervoor verdiepte ik mij in film, montage en beeldopbouw. Ook schreef ik een script dat ik gedurende mijn proces steeds heb aangepast. 

Hoewel het mij ontzettend gaaf lijkt om een live performance te doen, voelt video voor de expositie op school op dit moment als het beste medium. De wandelgangen van school voelen voor mij niet als de juiste setting, om mijn werk live tot zijn recht te laten komen. Tegelijkertijd zie ik een live performance in een echt theater als een goede vervolgstap om in platform of na mijn opleiding verder te ontwikkelen.


Previous
Previous

Sociaal onderzoek

Next
Next

Samenwerking en externe input